FAQ

Wat moet ik registreren?    

Wat mag/moet ik moccen?

Ziektevrij interval / progressieve ziekte / recidief

Basis van diagnose bij coderen van de histologie van regionale kliermetastasen

Primaire tumorlokalisatie : krijgen lymfomen altijd een C77.x code?

Synoniemen voor een (invasief) epidermoid epithelioom

Waarom kan ik geen pM0 invullen?

Maligne melanomen: vul ik de Clarck of de Breslow in?

Mag een TUR van de blaas als behandeling gecodeerd worden met code 10? Mag o.b.v. een TUR-blaas een pTNM classificatie worden opgemaakt?

Mag een TUR van de prostaat als behandeling gecodeerd worden met code 10? Kan men o.b.v. een TURP een pTNM-classificatie opstellen?

 

1. Wat moet ik registeren?   

Wij registeren (vastgelegd door de Stichting Kankerregister op basis van internationale richtlijnen):

  • alle nieuwe diagnoses van kanker, m.a.w. alle maligne tumoren, invasief of in situ
  • alle hematologische tumoren, inclusief de myeloproliferatieve aandoeningen myelodysplastische syndromen.
  • alle tumoren van het centraal zenuwselsel ongeacht het gedrag van de tumor (benigne, laag maligne potentieel, maligne)
  • alle urotheelceltumoren (laag maligne potentieel, in situ en invasief)
  • ovarium: alle maligne en borderline maligne epitheliale tumoren.

Uitzonderingen:

  • basocellulaire carcinomen dienen niet geregistreerd te worden (de aanlevering van de basocellulaire carcinomen door de anatomopathologen volstaat voor het kankerregister; dit is de enige tumor waarvoor dat geldt)
  • hemangiomen van het centraal zenuwstelsel dienen niet geregistreerd te worden.

Indien er twee of meerdere tumoren gediagnosticeerd werden (vb. in verschillende organen, bilaterale borsttumoren,...) dient voor elke tumor een afzonderlijk formulier ingevuld te worden.

Top

2. Wat mag/moet ik moccen?   

De inclusiecriteria betreffende de tumoren die aanvaard worden voor terugbetaling van een MOC, zijn niet letterlijk vermeld in de wetgeving: er wordt gesproken van 'oncologische aandoening' en 'oncologische behandeling'.
Elke patiënt met een nieuwe diagnose van kanker mag dus besproken worden op een MOC (met als enige uitzonderingen eenvoudige baso- en spinocellulaire tumoren; volgens de wet worden deze uitgesloten voor een MOC-consult).

Een MOC is verplicht in de volgende drie gevallen:

  • voor elke oncologische behandeling die afwijkt van de geschreven en door het oncologisch centrum aanvaarde richtlijnen (maw een behandeling die afwijkt van het oncologisch handboek dat in het ziekenhuis in gebruik is)
  • en/of aan een herhaling van een bestralingsreeks van éénzelfde doelgebied binnen de twaalf maanden, te rekenen vanaf de aanvangsdatum van de eerste bestralingsreeks
  • en/of aan elke chemotherapeutische behandeling met een geneesmiddel dat in een eerste fase van verzekeringstegemoetkoming door de Technische raad voor farmaceutische specialiteiten werd aangeduid voor monitoring via het multidisciplinair oncologisch consult

Wat betreft de vergoeding van de niet-verplichte MOC-casussen: de beslissing tot terugbetaling is de verantwoordelijkheid van de verzekeringsinstellingen en valt buiten de taak/bevoegdheid van het kankerregister. Mogelijks kunnen er wel ten gevolge van interne afspraken lichte verschillen bestaan tussen de verschillende mutualiteiten. De criteria die gehanteerd worden voor de terugbetaling kunnen in die zin ook verschillen van de inclusiecriteria voor de Kankerregistratie (zie hierboven onder punt 1). Eventueel kan u deze laatste wel als argumentatie gebruiken voor de MOC-terugbetaling door de verzekeringsinstelling. 

Het bespreken van een patiënt op een MOC wordt aangemoedigd. Er staat ook een zekere financiële tegemoetkoming tegenover:

  • voor de artsen die deelnemen aan het MOC is er een specifiek nomenclatuurnummer voorzien
  • er is een nomenclatuurnummer voorzien voor de consultatie waarin het MOC-besluit met de patiënt wordt besproken
  • per 1000 MOC-registraties is er een vergoeding voorzien voor 1 FTE-datamanager in het kader van de zorgprogramma's oncologie

Top

3. Ziektevrij interval / progressieve ziekte / recidief    

Volgens de SEER (Surveillance Epidemiology and End Results) spreekt men van 'ziektevrij' of 'remissie' als er klinisch geen kanker meer te vinden is. Men spreekt volledigheidshalve ook vaak van een 'totale of complete remissie'.
Belangrijk is of de patiënt door de artsen beschouwd wordt als al dan niet genezen.

Wanneer men na een ziektevrij interval opnieuw met dezelfde kanker geconfronteerd wordt, spreken we van een recidief (kan lokaal zijn of op afstand; wanneer het gaat om een recidief op afstand, spreekt men eerder van metastasen).

Een progressieve ziekte impliceert dat er geen ziektevrij interval aanwezig was.
 

Voor sommige tumoren kan je als datamanager een ziektevrij interval aanvoelen doordat er een tijd lang geen behandeling meer wordt gegeven. Vb. borsttumoren die beschouwd worden als genezen na hun chemo- en radiotherapie. Klinisch en technisch is er geen tumor meer te vinden. De patiënt wordt ziektevrij beschouwd en is in complete remissie. Indien er terug een knobbel of een metastase wordt ontdekt na een aantal jaren, dan spreken we van een recidief.
Een ander voorbeeld is een prostaatcarcinoom waarvoor een radicale prostatectomie werd uitgevoerd met jarenlang een probleemloos verloop en een onmeetbaar laag PSA. Plots kan opnieuw een stijging van het PSA optreden als handteken van een recidief na een ziektevrij interval.


Als je daarentegen te maken hebt met vb. leukemie, dan wordt er vaak in het begin geen behandeling gegeven. Men volgt de patiënt jaarlijks op, ziet aan het bloedbeeld of beenmergpunctie dat de ziekte nog steeds aanwezig is en men begint pas te behandelen als de symptomen manifest worden of het bloedbeeld/beenmerg zodanig erg verstoord zijn dat een behandeling zich toch opdringt. De patiënt maakte dus nooit een ziektevrije periode door en was dus nooit in complete remissie. Men begint sommige leukemiepatiënten echter pas te behandelen van zodra er ziekteprogressie (verergering van de ziekte) optreedt.
Een tweede voorbeeld is een prostaatcarcinoom dat ondanks de behandeling met hormonen verder evolueert waardoor de PSA blijft stijgen. Ook hier is – ondanks het instellen van een behandeling – geen sprake van een ziektevrij interval; we hebben te maken met een progressieve ziekte.

 

Volledigheidshalve vermelden we hier ook de partiële remissie. Dat betekent dat de patiënt wel degelijk gereageerd heeft op de ingestelde behandeling met regressie van de tumor, maar nooit het punt van volledige genezing heeft bereikt. Er is hier dus geen sprake van een ziektevrij interval.

Top 

4. Basis van diagnose bij coderen van de histologie van regionale kliermetastasen  

Regionale kliermetastasen worden registratie-technisch voor de TNM-bepaling niet beschouwd als metastases op afstand. Bij de TNM-bepaling vind je ze terug onder de N van Node. Ze worden immers beschouwd als lokale uitzaaiingen. Omdat het wel degelijk gaat om uitzaaiingen, mag je toch als basis van diagnose "3" gebruiken ( histologie metastase).
Let op: noteer nooit C77.x als topografie! Je dient de code van het orgaan waarin de primaire tumor zich bevindt, te gebruiken. Is het onbekend waar de kliermetastasen hun oorsprong vinden, gebruik dan code C80.9.

Top 

5. Primaire tumorlokalisatie: krijgen lymfomen altijd een C77.x code?  

Lymfomen zijn kankers van het lymfeweefsel. Men zegt ook wel lymfeklierkanker. Meestal codeert men als primaire tumorlokalisatie de lymfeklieren.
Lymfekliercellen circuleren echter van nature in het bloed en de lymfe. Op deze manier verplaatsen die cellen zich naar andere lymfeklieren. Lymfomen verspreiden zich ook zo. Daarom worden lymfomen nogal eens op verschillende plaatsen in het lichaam aangetroffen, zowel in als buiten het lymfeklierweefsel, en kan het ontstaan in een orgaan. Indien dit gebeurt, dan coderen we het orgaan waarin het lymfoom is ontstaan.

Top

6. Synoniemen voor een (invasief) epidermoid epithelioom     

Weinig tumoren zijn zo rijkelijk voorzien van namen. Je hebt te maken met een epidermoid epithelioom wanneer je één van onderstaande termen ontmoet:

  • spinocellulair carcinoma
  • spinocellulair epithelioma
  • spino
  • epi-epi
  • epidermoid epithelioma
  • epidermoid carcinoma
  • plaatcelcarcinoma
  • plaveiselcelepithelioma
  • squameus celcarcinoma
  • squameus carcinoma
  • de code 8070 (/3)

Top

7. Waarom kan ik geen pM0 invullen?  

Technisch gezien is een pM0 bijna onmogelijk. Dat zou impliceren dat men heel het lichaam heeft aangesneden, onder de microscoop heeft gelegd en in geen enkele coupe een tumor heeft gevonden. Dat zou wetenschappelijk gezien zeer interessant zijn, maar in realiteit wordt dat uiteraard niet gedaan behalve bij een autopsie. Een pM0 is dus enkel mogelijk wanneer een autopsie heeft besloten tot afwezigheid van metastasen en men dus als basis van diagnose 1 heeft genoteerd.

 
Wanneer geen autopsie is gebeurd,  noteert men dus pMx (enkel t.e.m TNM-editie 6, m.a.w. voor tumoren met een incidentiedatum voor 2010) of laat men het pM-vakje leeg (vanaf TNM editie 7, m.a.w. voor tumoren met een incidentiedatum vanaf 2010) tenzij men over een histologisch bewijs van metastasen beschikt.

 
Om de informatie dat er geen metastasen op afstand gevonden zijn, niet verloren te laten gaan, noteer je dus best cM0.

Top 

8. Maligne melanomen: vul ik de Clarck of de Breslow in?  

Beter dan Clarck of Breslow is de indeling volgens TNM! Die geeft veel meer relevante informatie. Wil je toch aanvullen met Clarck of Breslow, dan neem je best de Breslow-classificatie omdat die meer nuttige informatie oplevert dan de Clarck-classificatie.
De Clarck-classificatie was nuttig t.e.m. de 5de TNM-editie. Vanaf de 6de editie zie je dat de Clarck-indeling nog enkel een verschil maakt bij tumoren van minder dan 1mm dikte.

Top

9. Mag een TUR van de blaas als behandeling gecodeerd worden met code 10? Mag o.b.v. een TUR-blaas een pTNM classificatie worden opgemaakt?    

Een TUR (transurethrale resectie) van de blaas kan een heel goed middel zijn om een blaaspoliep(je) volledig (in één geheel) te verwijderen. Die poliepjes zijn de meest frequente blaastumoren. Aan de hand van die TUR kan de patholoog perfekt een pTNM opstellen. De TUR-blaas mag beschouwd worden als een echte behandeling van blaaspoliepen en als dusdanig gecodeerd worden.

Top

10. Mag een TUR van de prostaat als behandeling gecodeerd worden met code 10? Kan men o.b.v. een TURP een pTNM-classificatie opstellen?   

Bij een TUR van de prostaat wordt prostaatweefsel binnen het prostaatkapsel schilfer voor schilfer afgepeld. Het prostaatkapsel blijft ter plaatse, en meestal blijft er ook nog heel wat prostaatweefsel achter. De bedoeling van een TURP is meestal het verhelpen van een plasprobleem dat ontstaan is door dichtdrukken van de plasbuis door (leeftijdsgebonden) toename van prostaatklierweefsel. Na een TURP kan een patiënt dus nog steeds een prostaatcarcinoom ontwikkelen. Op basis van de bekomen prostaatschilfers is het voor de patholoog ook onmogelijk om een pTNM op te stellen.

 
Een TURP kan nooit beschouwd worden als een curatieve behandeling voor prostaatkanker. Prostaatkanker kan verholpen worden d.m.v. een radicale prostatectomie of radiotherapie. Enkel een radicale prostatectomie wordt dus gecodeerd met code 10.


Een TURP codeer je als '80: andere' en het vakje dat hierbij hoort, vul je aan met 'TURP'.

N.B.: voor oudere patiënten kan men soms een TURP als palliatieve behandeling voorstelllen (dus enkel om het plasprobleem op te lossen, niet om het carcinoom op zich aan te pakken).
N.B.: Soms ontdekt men toevallig bij een TURP geheel onverwacht een prostaatcarcinoom.


Top